“Guernsey” (2005): Auteurscinema of Antonioni-adept?

‘Ik ben gered door Cannes.’

Maria Kraakman als de getormenteerde Anna in Leopolds "Guernsey" (2005)

Maria Kraakman als de getormenteerde Anna in Leopolds "Guernsey" (2005)

Niet zonder bittere ondertoon deelde regisseuse Nanouk Leopold (Îles flottantes, 2001) het Parool mee hoe zij in de steek gelaten was door het Nederlands Fonds voor de Film en vervolgens in de liefhebbende armen van het prestigieuze, Franse filmfestival was beland (Van der Burg 2005). Olivier Père, de directeur van het Filmfestival van Cannes, was namelijk zeer verheugd over Leopolds rolprent Guernsey (2005): ‘Hij vergeleek haar film met het werk van Antonioni en hij had gezien dat de psychologie van Guernsey niet in de personages zit, maar in de mise-en-scène’ (Blokker 2005).

Deze internationale erkenning van Leopolds tweede speelfilm stond haaks op de wijzer waarop film en maker door de vaderlandse filminstituties behandeld werden. Nadat het Nederlands Fonds voor de Film, onder leiding van Toine Berbers, ruim een kwart van het budget van Guernsey gefourneerd had, distantieerde men zich prompt van de film na de vertoning van een ruwe werkversie. Deze reactie was wellicht veroorzaakt door de afstandelijke vorm van de film, ‘een formalisme en een pessimisme dat je eigenlijk eerder uit Oostenrijk zou verwachten’ – zo categoriseerde de criticus van het Franse L’Humanité de film (Van de Graaf 2005).

Die notie is cruciaal voor de plaats van Guernsey in het Nederlandse filmlandschap. Volgens André Waardenburg van het NRC Handelsblad was de film ‘een voor Nederland zeldzaam soort film’, Jos van der Burg analyseerde in het Parool uitgebreid de invloeden van filmmakers als Robert Bresson en Maurice Pialat, en niet alleen in Cannes werden parallellen met het werk van Antonioni getrokken (Waardenburg 2005). Kortweg was men het er in 2005 roerend over eens dat Guernsey een radicale breuk met het Nederlandse filmlandschap tot dan toe betekende.

Met welk soort filmische ‘ballast  brak Leopolds film zodoende? Het is heden ten dage ingewikkeld om deze ‘ballast’ te reduceren tot een reeks thematische elementen; filmmakers hebben er immers totaal geen baat bij hun creatieve expressie te beperken tot films die voor het nationalisme relevant, maar artistiek onbeduidend zijn (Hjort 2000: 99). Desalniettemin zijn er voldoende terugkerende elementen te vinden in de moderne Nederlandse film vanaf de jaren negentig, zo beweert Ronald Ockhuysen. Nederlandse cinema gaat over ‘mensen en hun probleempjes (…) en niet over breed uitwaaiende thema’s’, negeert het bestaan van symboliek en suggestie ‘om met archetypes een groter verhaal te vertellen, of een filosofische vraagstelling te lanceren’, en vereist dat de hoofdpersonages ‘op slag te duiden zijn’. Die groteske alledaagsheid, dat stereotiepe realisme, hangt samen met de afkeer van het Amerikaanse vooruitgangsgeloof, dat dikwijls wordt afgedaan als ‘een verzameling clichés’ (Ockhuysen 20052).

Officiële - maar voor Amerikanen te gewaagde - filmposter van Leopolds "Guernsey" (2005)

Officiële - maar voor Amerikanen te gewaagde - filmposter van Leopolds "Guernsey" (2005)

Bij het zoeken naar de oorzaak van deze tendens komen diverse critici meer dan eens bij hetzelfde punt uit: de relatie tussen het Nederlandse filmpubliek en de industrie. Zo verklaart Bas Blokker de motivaties van het Filmfonds onder Toine Berbers als een poging om ‘een gunstig [film]klimaat in het buitengewoon film-onverschillige Nederland’ te creëren: ‘(…) Maar straks is het resultaat dat veel geld blijft gaan naar relatief oninteressante films waar nauwelijks nog mensen op af komen, terwijl de visie op mogelijk artistiek interessante projecten ontbreekt. Dan is er helemaal niks meer over van het filmklimaat in Nederland’ (Blokker 2005). Deze publieksgerichtheid oefent een dominante invloed uit op het karakter van Nederlandse films, waarin oninternationale alledaagsheid floreert (Ockhuysen 20052).

Nanouk Leopolds Guernsey staat in meerdere opzichten lijnrecht tegenover het hierboven beschreven ‘poldermodel’ van de Nederlandse film. Zeer opvallend in deze film is de haast volledige afwezigheid van dialoog, en daarmee van personages die door Ockhuysen (20052) als ‘schreeuwlelijkerds’ zijn bestempeld. Leopold loodst haar publiek door de plot niet middels dialoog of muziek, maar door middel van een absoluut vertrouwen in de kracht van het visuele (Waardenburg 2005). Dit vergt een uiterst actieve kijkersparticipatie, iets wat het bekijken van Guernsey niet bepaald gemakkelijk maakt, maar des te aangrijpender (Ruyters 2005). Voor Leopold schijnt de film ook een zekere vlucht te zijn geweest ‘uit het land waar de films die zij mooi vindt steevast “klein”, “moeilijk” of “kwetsbaar” worden genoemd’ (Ockhuysen 20051).

Voortkomend uit die absentie van verbale verduidelijking, is de ambiguïteit, de ongrijpbaarheid, van de personages – een schril contrast met de in Nederlandse cinema gebruikelijke, ‘op slag te duiden’ personages (Ockhuysen 20052). Daarnaast deinsde Leopold er niet voor terug om een duidelijk auteursstempel te drukken op de formalistische aspecten van haar film. ‘Zelden was in een Nederlandse speelfilm de vorm even belangrijk als de inhoud – of nog wel belangrijker’, zo schrijft André Waardenburg gefascineerd (2005). De regisseuse ziet zelf ook in dat zij ‘met haar liefde voor een strenge, bijna ascetische cinema een buitenbeentje is’ in een land waar het calvinisme ook het filmformalisme versobert (Van der Burg 2005).

Door al deze superlatieven lijkt Guernsey de kiem van een ontspruitende auteurscinema te zijn; Leopold legt immers een filmtalent aan de dag, dat zich weinig tot niets aantrekt van de situatie en ontwikkeling in filmland. Toch valt te betwijfelen of Leopold met Guernsey ook de fase van de inspiratie door grootmeesters als Bresson en Antonioni, is ontstegen.

Jos van der Burg dingt af op de film dat het verhaal niet bijster bijzonder is: ‘Vooral Franse filmmakers zijn dol op wankele vrouwen (…)’. Ook qua stijl is Guernsey niet een op zichzelf staand kunstwerk, want de film leunt sterk op het werk van Robert Bresson (2005).

Het verband met het werk van Michelangelo Antonioni is eveneens onontkoombaar. Net zoals Antonioni’s L’avventura in 1960 een internationaal oproer veroorzaakte door volledig te verschillen van de filmsituatie a ce moment, zo werd ook Guernsey – zij het in meerdere mate – op verkeerde waarde geschat bij de initiële release. Toevallige bijkomstigheid is dat beide films ‘gerehabiliteerd’ werden op het filmfestival van Cannes (Ebert 1997). Deze ‘verbintenis’ tussen beide films wordt niet ontstegen door Leopold c.s., zo beweert ook filmmaker Robert-Jan Westdijk (2009). Hij meent dat Leopold vakkundig omspringt met de lessen die ze uit Antonioni’s oeuvre getrokken heeft, maar dat ze niet verder weet te geraken dan een postmodern gebruik van deze filmhistorie.

In die gedachtelijn blijkt Leopold ook slechts te turen naar wat er ook maar achter de glorende horizon verborgen ligt. ‘”Ik voel me niet thuis in het Nederlandse filmklimaat. De hele tijd denk ik: waar kan ik heen?”‘, zo vertrouwde Leopold het Parool toe, waarbij Jos van der Burg haar vergeleek met de eerder naar het buitenland uitgeweken Paul Verhoeven en Marleen Gorris (2005). Zijn vergelijking spreekt boekdelen; Nederlandse filmmakers kennen de internationale filmtraditie blijkbaar door en door, maar niemand schijnt in staat te zijn met die kennis het Nederlandse filmlandschap eens goed op de schop te nemen.

Dit artikel is geschreven als tussentijdse toetsing van de module Filmfabriek Hollandia, onder auspiciën van Willem Pool et al., bij de bachelor Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. De rechten van het originele artikel liggen geheel en al bij de auteur dezes weblogs.

Bronvermelding

Blokker, Bas. ‘Het Filmfonds en zijn visies’. In: NRC Handelsblad, 29 april 2005.

Van der Burg, Jos. ‘Anna verdwaalt in het leven’. Recensie van Guernsey, reg. Nanouk Leopold, 2005. In: Het Parool, 24 augustus 2005: 29.

Ebert, Roger. ‘Great movies. L’avventura‘. Retrospectieve recensie van L’avventura, reg. Michelangelo Antonioni, 1960. 19 januari 1997 <http://rogerebert.suntimes.com/apps/pbcs.dll/article?AID=/19970119/
REVIEWS08/401010338/1023>.

Van de Graaf, Belinda. ‘Nanouk Leopold wekt emoties in Cannes’. In: Trouw, 20 mei 2005: 6.

Hjort, Mette. ‘Themes of Nation’. In: Mette Hjort, Scott MacKenzie, red. Cinema and nation. Londen: Routledge, 2000: 95-109.

Ockhuysen, Ronald. ‘”Het mag allemaal op zijn Jean-Luc Godards”. De film Guernsey‘. In: de Volkskrant, 12 mei 20051: 21.

—- ‘Schreeuwlelijkerds. Het beeld van Nederlanders in de film’. In: de Volkskrant, 25 augustus 20052: 48.

Ruyters, Jann. ‘Geen muziek, amper expressie, maar Guernsey blijft schuren.’ Recensie van Guernsey, reg. Nanouk Leopold, 2005. In: Trouw, 25 augustus 2005: 19.

Waardenburg, André. ‘Met Anna het hele leven van Anna bespioneren’. Recensie van Guernsey, reg. Nanouk Leopold, 2005. In: NRC Handelsblad, 24 augustus 2005: 9.

Overige bronnen

Publiek panelgesprek met Robert-Jan Westdijk, Universiteit van Amsterdam, donderdag 5 maart 2009.

Leave a comment

Filed under Critique, Nederlands

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s