De inspiratie is op in Hollywood

De vermoeide regisseur Guido Contini (Daniel Day-Lewis) in Marshalls 'geïnspireerde' film "Nine" (2009).

De vermoeide regisseur Guido Contini (Daniel Day-Lewis) in Marshalls 'geïnspireerde' film "Nine" (2009).

Stel je voor: je bent een Oscarwinnende filmregisseur in Hollywood wiens laatste paar films niet bepaald juichend zijn ontvangen. Het is 2009, het mondiale recessiejaar, en je moet op een houtje bijten omdat de tijd van onverwachte inspiratie nu toch echt voorbij is. Plots gaat de telefoon. Het is je manager. “Ik heb een script voor je,” zegt hij (of zij) enthousiast. Je zit, vanzelfsprekend, op het puntje van je stoel. “Het gaat om een musicalversie van een Italiaans filmmeesterwerk uit de jaren zestig,” vervolgt de manager. Oei. Een kleine deuk in je opwinding. “Over de frustraties van een filmregisseur en de vrouwen in zijn leven.” Gelukkig ben je zo scherp van geest om de kernwoorden op te pikken: “musical”, “Italiaans”, “vrouwen”. Moet goed te doen zijn, toch? Een paar Oscarwinnende topvrouwen erin, lekker dansen en zingen, en het publiek komt wel. Je trekt je jas aan en loopt de deur uit, klaar om te beginnen. Het budget komt natuurlijk, zoals altijd, vanzelf wel.

Ruim een jaar later worden wij, het publiek, vervolgens geconfronteerd met het resultaat van deze ontwikkeling: Nine, gebaseerd op Fellini’s klassieker Otto e mezzo (1963). In plaats van hoogstaande visuele allegorieën, metatekstuele referenties en een ijzersterk, associatief plot rondom een getormenteerde regisseur, krijgen we nu “personages” die iedere emotie of frustratie eruit zingen en/of dansen. De oorspronkelijke thematiek, zo ontoegankelijk voor het grote internationale publiek, is volledig gereduceerd tot banaliteiten en een schaamteloos excuus voor grote musicalnummers. En om die sapore italiano nog enigszins te behouden, praten álle acteurs Amerikaans met een botervet Italiaans accent eroverheen. Moderne Method-acteur Daniel Day-Lewis heeft natuurlijk zelfs écht Italiaans leren spreken in voorbereiding op zijn rol. Bravissimo.

Claudia Cardinale en Marcello Mastroianni op de set van die écht geïnspireerde klassieker, Fellini's "Otto e mezzo" (1963).

Claudia Cardinale en Marcello Mastroianni op de set van die écht geïnspireerde klassieker, Fellini's "Otto e mezzo" (1963).

Is er sprake van celluloidmoeheid in Hollywood? Is de inspiratie op? Terwijl de American independent cinema de afgelopen jaren het ene na het andere succes boekt – denk bijvoorbeeld aan Little Miss Sunshine (2006), Juno (2007), No Country For Old Men (2007), en zo verder – beroepen de grote studio’s in het zonnige Californië zich voortdurend op sequels, prequels, remakes, spin-offs en andere commerciële narigheid. Auto’s blijven maar in robots veranderen, Japanse horrormeisjes komen onafgebroken uit Amerikaanse gootstenen en televisies, de wereld wordt keer op keer vernietigd en gered door de zoveelste malloot in een veel te strak spandexpakje. Maar ja, waarom zou je een gouden formule veranderen? Het publiek blijft massaal toestromen en de kassa’s oorverdovend rinkelen.

Zou je het in dat opzicht wellicht bewonderenswaardig moeten noemen dat Hollywood soms nieuwe dingen aandurft? Ik betwijfel het. Het levert zulke overbodige cinema op. Het ijzersterke Deense drama Brødre (2004) van Susanne Bier heeft onlangs zijn Hollywoodiaanse make-over gekregen in de film Brothers van Jim Sheridan. Connie Nielsen, Ulrich Thomsen en Nikolaj Lie Kaas zijn vervangen door Natalie Portman, Tobey Maguire en Jake Gyllenhaal. Onmiddellijk is de award buzz weer uitgebroken; wat een fantastisch acteerwerk, wat een gedurfd verhaal, wat een integer, persoonlijk drama! Dat is natuurlijk volledig andere koek dan de met olie en ijzer overgoten biscuits van Jerry Bruckheimer en de zijnen. Voor de Amerikaanse kijker is het een Europese delicatesse – maar eentje die alleen in een Amerikaanse verpakking te verteren is.

Nikolaj Lie Kaas en Ulrich Thomsen in Susanne Biers "Brødre" (2004).

Tobey Maguire en Jake Gyllenhaal in Jim Sheridans remake "Brothers" (2009).

Hollywood doet dit al langer: Godards A bout de souffle (1960) heeft de behandeling ondergaan (Breathless (1983)), en zo ook Wim Wenders’ Wings of Desire (1987) (tot die suffe Meg Ryan-film City of Angels (1998)) en zelfs “onze eigen” Spoorloos (1988) van George Sluizer, tot het ook door hem geregisseerde The Vanishing (1993). Wellicht is het geen gebrek aan inspiratie, maar een onophoudelijke behoefte om de eigen filmindustrie wat meer cachet te geven. Kijk, lijken de Hollywoodproducenten te zeggen, soms durven we wél een andere afslag te nemen! Niettemin leiden uiteindelijk alle wegen weer naar Tinseltown.

Zie hoe anderen over deze kwestie denken, en gooi zelf je mening in de strijd:

Leave a comment

Filed under General

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s